Instandhouding NAP

Eens in de tien jaar bepaalt Rijkswaterstaat opnieuw de hoogten van het grondoppervlak, ook wel maaiveldhoogte genoemd. Daarnaast doet Rijkswaterstaat extra metingen en gebruikt de organisatie NAP-gegevens van andere overheden (bijvoorbeeld gemeenten). Het bijhouden van deze wijzigingen wordt de instandhouding van het peilmerkennet van het NAP genoemd.

Verschuivingen NAP

Door natuurlijke oorzaken en door menselijk ingrijpen vinden veranderingen aan de maaiveldhoogten en hoogten van objecten op het maaiveld plaats. Ook bewegen peilmerken ten opzichte van elkaar, wat veroorzaakt wordt door: 

  • verschil in fundering
  • de inklinking van de jongere grondlagen 
  • de geologische bewegingen 
  • inwinning van natuurlijke hulpbronnen (bijvoorbeeld aardgas) 
  • uitvoering van grote civieltechnische kunstwerken

Ondergrondse Merken

Naast alle bovengrondse peilmerken bestaan in Nederland ook circa 220 ondergrondse merken. Dit zijn ijkpunten die (diep) gefundeerd zijn in de stabiele pleistocene zandlagen, die meer dan 10.000 jaar oud zijn. De ondergrondse merken vormen de basis voor het bepalen van de peilmerken boven de grond.

Meetmethoden: waterpas of GPS?

De vorm van het NAP-vlak, ook wel geoïde genoemd, wordt bepaald door het zwaartekrachtveld. In het verleden werden hoogten veelal bepaald door middel van waterpassen. Bij het gebruik van waterpassen is de vorm van de geoïde niet relevant. De vizierlijn van een goed waterpasinstrument staat namelijk altijd loodrecht op de zwaartekracht.

Tegenwoordig wordt bij hoogtemetingen steeds meer gebruikgemaakt van gps. Met deze meetmethode wordt de hoogte berekend ten opzichte van een ellipsoïde. Het vlak van een ellipsoïde valt echter niet samen met dat van de geoïde. In Nederland zorgt dit voor verschillen van soms wel meer dan veertig meter. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk om een goed model op te stellen zodat NAP-hoogten ook uit gps-metingen kunnen worden berekend.